Extractieve industrie

Extractieve industrie

De extractieve industrie is een verzamelnaam voor bedrijven die deze grondstoffen uit de bodem halen en ze vervolgens verwerken of verhandelen. 

Het gaat om een brede waaier van ertsen en edelgesteenten, maar ook het aanboren van aardolie en -gas behoort tot de extractieve industrie. 

Veel ‘arme’ landen – zeker in Afrika – hebben een enorme bodemrijkdom. Deze bodemrijkdom heeft vaak een donkere zijde; de controle over deze rijkdommen vormt namelijk al jarenlang één van de voedingsbodems voor gewelddadige conflicten. In heel veel gevallen worden oorlog en conflicten gefinancierd met de opbrengst van extractieve industrieën. Multinationale bedrijven spelen hier een belangrijke rol. Zij zijn het die, via tussenpersonen of rechtstreeks, deze ‘conflictmineralen’ afnemen en verwerken in de industrie, telecom, juwelen,… 

Ook gaat de ontginning in veel gevallen gepaard met ernstige mensenrechtenschendingen. Amnesty International klaagt deze aan. 

Samen met een grote groep andere actoren, pleit Amnesty International ervoor dat bedrijven aantonen dat de mineralen die ze verwerken in hun producten niet bijgedragen hebben tot mensenrechtenschendingen en conflicten. 

Sommige bedrijven zijn zich bewust van hun verantwoordelijkheid en hebben, vaak in samenwerking met partners uit het middenveld, ‘Due Diligence’ (zorgplicht) regels uitgewerkt die moeten voorkomen dat de mineralen in hun productieketen geen mensenrechtenschendingen veroorzaakten of bestendigden.

Toch blijven nog veel bedrijven, ook Belgische, hierin in gebreke. Daarom dient de Belgische overheid, in samenwerking met de Europese Unie, onverwijld werk te maken van regelgeving die zulke Due Diligence voor elk bedrijf verplicht maakt. Daarnaast dienen bedrijven toegebrachte schade te vergoeden en dienen zulke vergoedingen gerechtelijk afdwingbaar te zijn.

Democratische Republiek Congo – Chinese mijnbouw draagt bij tot mensenrechtenschendingen

Chinese bedrijven in de mijnsector moeten meer doen om te beletten dat hun bedrijfsactiviteiten gepaard gaan met mensenrechtenschendingen. Amnesty International publiceerde in 2013 een rapport over de invloedrijke rol die Chinese bedrijven spelen in de mijnbouw in Katanga (Democratische Republiek Congo). Het gaat voornamelijk over cobalt en koper, ertsen die meestal niet op een industriële wijze maar via artisanale mijndelvers ontgonnen worden. Deze zoeken individueel naar ertsen in ondiepe mijnen en rivieren, met primitieve werktuigen en zonder beschermkledij. Geen wonder dus dat er zeer veel ongevallen gebeuren. Naar schatting 70.000 tot 150.000 mensen trachten in de mijnstreken te overleven als artisanale mijndelver. Zij worden schandelijk uitgebuit en onderbetaald omdat ze in de meeste gevallen verplicht zijn hun ertsen te verkopen aan “opkopers”, op straffe van uitsluiting uit de mijn. 

Het rapport beschrijft drie flagrante gevallen. De Tilwezembe mijn, op zo’n 30 km van Kolwezi, was tot in 2008 een voorbeeld van een mijn die wel industrieel ontgonnen werd. Twee jaar later kreeg Misa Mining een vergunning om de mijn te ontginnen, maar functioneerde louter als opkoper van de “productie” van artisanale mijndelvers. Noch het bedrijf, noch de Congolese overheden hadden enig oog voor de onmenselijke werkomstandigheden en de mensenrechtenschendingen.

In Luisha werden 300 families onder dwang uit hun huizen gezet. Het terrein, waarop ze woonden, was in concessie gegeven aan een ander Chinees bedrijf, de Congo International Mining Corporation (CIMCO). De bewoners werden met vrachtwagens overgebracht naar een ander terrein en er gewoon overgelaten aan hun lot, zonder woning of andere faciliteiten. 
In april 2012 groeven bulldozers van het Chinees-Congolees bedrijf COMILU een diepe gracht om te beletten dat de omwonenden de concessie zouden betreden. Zogenaamd uit veiligheidsoverwegingen maar in feite werd de toegangsweg naar hun velden en hun waterbron brutaal afgesneden. Toen ze protesteerden, vuurde de politie in de lucht waarbij één man gedood werd door een verdwaalde kogel.

Voor Amnesty International zijn dit trieste voorbeelden die de eisen voor bedrijfsaansprakelijkheid kracht bijzetten. De extractieve industrie moet verplicht worden haar “zorgplicht” (due diligence) na te komen om te vermijden dat ertsontginning gepaard gaat met uitbuiting en schending van de mensenrechten. 

Kawama, DRC

Democratische Republiek Congo – met de bulldozer erdoor

Op 24 en 25 november 2009 vernielde de Katangese mijnbouwpolitie onaangekondigd honderden woningen in drie wijken van het dorp Kawama. Zogenaamd omdat een aantal artisanale mijndelvers zich op illegale wijze gevestigd hadden in het dorp. Het dorp ligt namelijk aan de rand van de Luiswishi kopermijn nabij Lubumbashi. De mijndelvers werden enkele dagen eerder aangemaand om te vertrekken. 

De sloop van de huizen was echter niet aangekondigd en er werd geen onderscheid gemaakt tussen de voorlopige woningen van de mijndelvers en de stenen huizen van wie er al lang woonde. Het was evenmin duidelijk waarom huizen vernield dan wel gespaard werden. Zowat twee derden van de woningen in de drie wijken werden vernield. Nog opvallender was dat de gebruikte bulldozers afkomstig waren van het mijnbedrijf Compagnie Minière du Sud Katanga, op het ogenblik van de feiten voor 60 % in handen van de Belgische Forrest Group. Opgevorderd door de politie, aldus het bedrijf, dat er op wees dat de actie enkel gericht was tegen de “illegale cabanes van de mijndelvers”.  Zowel onderzoek door de Procureur-generaal van Lubumbashi als satellietfoto’s gemaakt door een Amerikaanse organisatie in opdracht van Amnesty International, tonen de schaal van de vernielingen aan en dat ook heel wat huizen van permanente bewoners werden vernield. 

Talrijke mensen verloren hun woning en hun inkomstenbron en beschikten niet over de nodige middelen om ze terug op te bouwen. Elke wettelijke basis voor de afbraak ontbrak, zowel nationaal als internationaal. De vernieling van de woningen ging gepaard met gedwongen uitzettingen van de bewoners, wat een ernstige schending van de mensenrechten is. Vijf jaar na datum hebben de slachtoffers nog steeds geen effectieve schadeloosstelling ontvangen, noch van de Congolese staat noch van de betrokken bedrijven. Integendeel, in de wijk Lukuni-Gare leven de mensen nog steeds onder de dreiging van verdere gedwongen uitzetting. 

Lees het rapport hier.

Democratische Republiek Congo – de zorgplicht van Amerikaanse bedrijven

In 2014 dienden zowat duizend beursgenoteerde bedrijven in de Verenigde Staten hun eerste Rapportering over Conflictmineralen voor te leggen aan de Securities and Exchange Commission (SEC). Dit is de hoeksteen van de Dodd-Frank Wet, voluit the Dodd-Frank Wall Street Reform and Consumer Protection Act. De wet is erop gericht dat de grote Amerikaanse bedrijven verantwoordelijkheid opnemen voor de omstandigheden waarin door hen gebruikte grondstoffen geproduceerd en verhandeld worden. Welke inspanningen leveren de betrokken bedrijven om te vermijden dat de mineralen gebruikt worden om conflicten en gewapende groepen te financieren in de Democratische Republiek Congo en 9 omliggende landen?

Amnesty International en Global Witness onderzochten 100 rapporten. Daarvoor gebruikten ze 12 criteria, enerzijds gebaseerd op de wet, anderzijds op richtlijnen van de Organisatie voor Europese Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), die op dit vlak als referentie geldt. Ze komen tot het besluit dat 79 % van de onderzochte bedrijven niet voldoen aan de minimumvereisten van de wet.

Zorgplicht houdt in dat de bedrijven hun gebruik van bepaalde grondstoffen onderzoeken. Waar komen ze vandaan? De meeste bedrijven beperken zich hierbij tot hun directe leveranciers, maar ook toeleveranciers maken deel uit van de vermarktingsketen. Is het mogelijk dat via de handel in de grondstoffen conflicten gefinancierd worden? De eventuele risico’s op dit vlak juist inschatten en evalueren is belangrijk. En tenslotte: hoe gaat het bedrijf ermee om wanneer de leverancier geen duidelijke of inconsistente informatie verschaft. Wat is het beleid ter zake? Uit het onderzoek blijkt dat meer dan de helft van de bedrijven over geen welomschreven strategie beschikken voor zulke gevallen.
Positief aan de Dodd-Frank Act is dat de wet opgezet is als een gelegenheid voor bedrijven om te tonen dat ze transparant willen zijn in hun vermarktingsketen. En welke stappen kunnen gezet worden tot grotere verantwoordelijkheid in het omgaan met risico’s. 

Kimberley Process en bloeddiamanten

Reeds in 1998 kwam aan het licht dat de Angolese rebellen van UNITA gefinancierd werden via de verkoop van diamant. Ook rebellen in de Democratische Republiek Congo (DRC) en in Sierra Leone werden gefinancierd met zogenaamde bloeddiamanten, afkomstig uit de gebieden die ze controleren. Niet-gouvernementele organisaties in het VK en Canada klaagden dit aan. Dit leidde tot een uniek samenwerkingsverband tussen diamantproducerende landen, de betrokken industrie en de NGO’s, die in mei 2000 een eerste keer samenkwamen in de Zuid-Afrikaanse mijnstad Kimberley. Deze gesprekken leidden in november 202 tot het Kimberley Process (KP), dat hoofdzakelijk bestaat uit het afleveren van certificaten die voor elke partij uitgevoerde diamant de herkomst bevestigen. Hieruit moet blijken dat met de opbrengst geen rebellen gefinancierd worden. 53 landen plus de ganse Europese Unie zijn thans aangesloten bij het KP. 

Voor Amnesty International gaat het  KP echter niet ver genoeg. Het initiatief is immers alleen gericht op de financiering van conflicten en de certificaten betreffen enkel de internationale handel in diamant, niet wat in het land zelf verhandeld wordt. Het gaat daarenboven enkel om de financiering van rebellen. Acties van regeringen die via de diamanthandel gefinancierd worden tellen niet mee. Maar bovenal: de talrijke schendingen van mensenrechten bij het delven van diamant, vallen niet onder het KP-mandaat. Kinderarbeid, de onmenselijke werkomstandigheden van de diamantzoekers, de financiële uitbuiting worden niet aangepakt. 

Tot slot de oorspronkelijke beperkte doelstelling van het Kimberley Process wordt op grote schaal uitgehold door smokkel en door het vervalste certificaten. 

Diamant in de CAR

Centraal-Afrikaanse Republiek – misbruikte handelsketens

De beperkingen en tekorten van het Kimberley Process worden helemaal duidelijk aan de hand van voorbeelden in de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR). Hierover werd eind september 2015 een rapport gepubliceerd. 

In maart 2013 werd de regering er omvergeworpen door de Séléka, een voornamelijk uit moslims bestaande rebellengroep, die de macht overnam. Een andere gewapende militie, de overwegend christelijke anti-balaka, trachtte hen terug te dringen in zowat het ganse land en viel massaal moslimburgers aan. Zowel de Séléka als de anti-balaka maakten zich schuldig aan grove mensenrechtenschendingen. Twee maanden later werd de CAR uitgesloten uit het KP en werd de uitvoer van diamant verboden. Interne vermarkting binnen de CAR bleef echter mogelijk. Ondanks het conflict bleven de artisanale diamantzoekers diamanten zoeken en verkopen aan opkopers. “Belastingen” werden geheven door de milities in de gebieden die ze controleerden. Gedwongen betalingen werden opgelegd voor het waarborgen van de “veiligheid” van de tienduizenden diamantzoekers. Soms werden hele mijnen overgenomen. De voortzetting van de diamanthandel, waarvan zowel de Séléka en de anti-balaka ruim profiteerden, was dan ook onvermijdelijk. Niet te verwonderen dus dat de controles van het Kimberley Process op grote schaal omzeild werden via smokkelroutes en het opstellen van valse certificaten. Meestal via de buurlanden Kameroen en de Democratische Republiek Congo, Tchaad en Soedan (hoewel de laatste twee geen lid zijn van het KP). Of – meer gesofisticeerd – via de doorvoer naar vrijhandelszones (Dubai), waardoor de eigenlijke oorsprong letterlijk de mist ingaat. 

Intussen gaan de mensenrechtenschendingen onverminderd voort. De naar schatting 80.000 tot 100.000 artisanale diamantzoekers werken in barre omstandigheden. Ze worden slecht betaald en uitgebuit door de opkopers. Het werk is gevaarlijk en slecht voor hun gezondheid. Het zware labeur veroorzaakt rugproblemen, ze staan bloot aan malaria en parasieten, ze worden soms gedood door vallende brokstukken of verdrinken in de mijnpoelen. Ouders sturen hun kinderen niet naar school omdat ze het magere inkomen nodig hebben; kinderarbeid is wijdverspreid. 

Antwerpen is wereldwijd het belangrijkste trading center voor ruwe diamant en wordt daarom ook in het rapport vermeld. Dat de Belgische politie in 2014 illegale zendingen kon onderscheppen, betekent nog niet dat andere zendingen niet door de mazen van het net glipten. Er zijn aanwzijzingen van betrokkenheid van een in Antwerpen gevestigd bedrijf. 

Verdere informatie in het rapport.

Kinderarbeid en ongezond werk bij de kobalt-ontginning in de DRC

Kobalt is een belangrijke grondstof voor de aanmaak van herlaadbare batterijen. Het gebruik ervan in mobiele telefoons, laptops en tablets, maar ook in elektrische voertuigen valt niet meer weg te denken uit ons dagelijks leven.

Meer dan de helft van alle kobalt in de wereld komt uit de Democratische Republiek Congo (DRC). Zowat een vijfde van alle geëxporteerde kobalt wordt in de Zuidelijke provincie Katanga met de hand opgegraven door artisanale mijnwerkers, ‘creuseurs’. Het totaal aantal creuseurs in deze regio wordt geschat op 110.000 tot 150.000.

Het rapport “This is what we die for: Human rights abuses in the Democratic Republic of the Congo power the global trade in cobalt”  beschrijft hoe volwassenen en kinderen van amper zeven jaar kobalt delven in gevaarlijke en ongezonde omstandigheden.

Hard labeur

Amnesty International stelde vast dat de grote meerderheid van deze mijnwerkers elke dag lange uren klopt. Hun werk is levensgevaarlijk. Minstens tachtig ‘creuseurs’ zijn tussen september 2014 en december 2015 in het zuiden van Congo om het leven gekomen. Het echte dodencijfer is onbekend omdat veel ongevallen niet worden aangegeven.

Het werk is ook ongezond, zeker in de ondergrond waar de verluchtingsinstallaties slecht functioneren, wat leidt tot fatale longziekten. De meesten creuseurs beschikken niet eens over een basisuitrusting die beschermt tegen long- en huidziekten, zoals handschoenen, werkkleren of gezichtsmaskers.

Kinderen vertelden Amnesty International dat ze tot twaalf uur per dag in de mijnen werken en moeten sjouwen met zware ladingen. Ze verdienen daarvoor tussen één en twee dollar per dag. Volgens Unicef werkten in 2014 ongeveer 40.000 kinderen in mijnen in het zuiden van de DRC, vaak in kobaltmijnen. Velen gaan helemaal niet naar school, omdat ze voor een (mager) inkomen voor het gezin moeten zorgen, of omdat hun ouders het schoolgeld niet kunnen betalen. Anderen werken in het weekend en op vrije dagen.

Multinationals

Het rapport analyseert de weg die het kobalt aflegt, van in de mijnen in Congo tot in de batterij van onze smartphone of elektrische wagen. Handelaars kopen kobalt rechtstreeks van de artisanale mijnarbeiders, ook in gebieden waar kinderarbeid wijdverbreid is. De grondstof wordt dan doorverkocht aan bedrijven zoals de Congo Dongfang Mining (CDM), een dochteronderneming van de Chinese mijngigant Zheijang Huayou Cobalt, een van de grootste kobalt-producenten ter wereld. Vandaar vindt het bewerkte kobalt zijn weg naar de producenten van batterijen die verklaren te leveren aan technologie- en autoreuzen zoals Apple, Microsoft, Samsung, Sony, Daimler en Volkswagen. 

De overheid van de DRC grijpt niet adequaat in. Hoewel er in 2002 een nieuwe mijnwet werd gestemd, die bepaalt dat artisanale mijnbouw enkel in goedgekeurde Zones d’Exploitation Artisanale (ZEA) toegelaten is, werken de meeste creuseurs daarbuiten. De Congolese overheid heeft immers veel te weinig ZEA’s erkend. Bovendien klagen de creseurs erover dat de controleurs systematisch op illegale wijze geld vragen  maar niet optreden tegen de onveilige werkomstandigheden.

Amnesty International en Afrewatch stelden vast dat multinationals die batterijen met kobalt gebruiken, de oorspronkelijke afkomst van het kobalt amper kennen of de verantwoordelijkheid doorschuiven naar de tussenhandel. De organisaties roepen daarom de multinationals op om zorgvuldig na te gaan of de mensenrechten worden nageleefd, te onderzoeken of het kobalt wordt gedolven in gevaarlijke omstandigheden en of daar kinderarbeid aan te pas komt (de zogenaamde “due diligence”). De bedrijven moeten ook transparanter zijn over hun leveranciers. Verder moet China van Chinese grondstoffenbedrijven eisen dat ze hun bevoorradingsketens onderzoeken en mensenrechtenschendingen aanpakken.

Download het volledige rapport

hier niet op duwen