Doodstraf in België

Doodstraf in België

Een stukje geschiedenis over de afschaffing van de doodstraf in België.

Situatie vóór het ontstaan van België

Hoewel de doodstraf vele eeuwen lang een algemeen aanvaarde sanctie was voor ernstige misdaden, kwam daarin omstreeks de 18de eeuw stilaan verandering. In 1764 publiceerde de Italiaan Cesare Beccaria, die kan beschouwd worden als een van de eerste woordvoerders van de klassieke school in het strafrecht, zijn traktaat Dei delitti e delle pene (Over delicten en straffen). Daarin wordt de doodstraf reeds als ‘niet te verantwoorden’, ‘ondoeltreffend’ en ‘barbaars’ beschouwd. Volgens hem was de beste preventie voor criminaliteit niet de wreedheid van de straf, maar het besef dat het onmogelijk is om een straf te ontlopen. Hij pleitte in het bijzonder voor dwangarbeid en gevangenisstraf als alternatieven. Ook andere filosofen, met name Montesquieu en Rousseau, traden dit standpunt bij.

In onze contreien bleef de beweging tegen tegen de doodstraf en tegen foltering vooral beperkt tot verlichte heersers. Zo heeft de keizer van het Heilige Roomse Rijk Jozef II in dat verband een ingrijpende zeggenschap gehad over het strafrecht in de Zuidelijke Nederlanden in de 2de helft van de 18de eeuw. De Napoleontische code pénal van 1810 was echter een stap terug wat betreft de doodstraf. Sindsdien zijn wel steeds vaker stemmen opgegaan die de afschaffing bepleiten, ook in België nadat het eenmaal onafhankelijk werd in 1830.

Doodstraf in de praktijk

De laatste Belgische executie in vredestijd vond plaats in juli 1863. In Ieper werd een boer terechtgesteld door onthoofding wegens moord. Sindsdien is de doodstraf voor misdrijven van gemeenrecht niet meer uitgevoerd. Desondanks werd de doodstraf behouden in het nieuwe Strafwetboek van 5 oktober 1867, al werden dergelijke vonnissen na de laatste executie in 1863 automatisch via een genademaatregel omgezet tot levenslange dwangarbeid. Onthoofding kwam echter nog eenmaal voor in militaire context. Een soldaat genaamd Emile Verfaille werd in 1918 namelijk door het krijgsgerecht ter dood veroordeeld omdat hij zijn vriendin had omgebracht; het ging dus om een gemeenrechtelijk feit. Speciaal voor deze gelegenheid werd uit Rijsel een guillotine overgebracht. Op 26 maart 1918 voltrok de Franse meesterbeul Anatole Deibler deze laatste terechtstelling door onthoofding, die overigens op uitdrukkelijk verzoek van toenmalig koning Albert I werd uitgevoerd. In totaal stierven in België welgeteld 55 mensen door de guillotine.

De facto werden geen gemeenrechtelijke executies meer uitgevoerd, maar dat neemt niet weg dat het Militair Gerechtshof dus nog steeds doodstraffen uitsprak. Bovendien kon de dood door de kogel nog worden toegepast op burgers dankzij de Besluitwet van 14 september 1918. Een burger kon neergeschoten worden indien hij veroordeeld was “uit hoofde van een misdrijf tegen de uitwendige veiligheid van de Staat of wanneer hij, in oorlogstijd, door een militair rechtscollege is veroordeeld”. De Eerste Wereldoorlog leverde welgeteld 220 ter dood veroordelingen op, maar de meesten onder hen ontsnapten aan dit lot dankzij het aantekenen van beroep of vanwege een genadebesluit. Uiteindelijk fusilleerde men twaalf militairen, vier burgers en twee Duitsers.

Nadien volgden nog 242 executies met de kogel in het kader van de repressie na de Tweede Wereldoorlog. Van de 1247 mensen die als collaborateur ter dood waren veroordeeld, werden uiteindelijk 241 mensen effectief gefusilleerd, op grond van een aantal gewijzigde besluiten over collaboratie die de Belgische regering in ballingschap reeds op 17 december 1942 had voorbereid. Artikels 113, 117, 118bis en 121bis van het Strafwetboek, die in feite dateerden van kort na de Eerste Wereldoorlog, werden met het oog op de nieuwe oorlog aangepast aan die toenmalige context. Aldus bracht men op 13 november 1944 de eerste collaborateur voor het vuurpeloton. Deze kwestie zou nog voor hoog oplaaiende en gespannen discussies zorgen. De meeste executies vonden immers plaats op het einde van de oorlog, of er vlak na. Later besloot men steeds vaker genade te verlenen, ondanks het feit dat een aantal veroordeelden veel ernstigere misdaden op hun geweten hadden. Dit gebrek aan consequentie zorgde voor heel wat wrevel omdat oorlogsmisdaders of collaborateurs simpelweg het geluk moesten hebben niet te vroeg gearresteerd te worden.

Einde van de effectieve doodstraf en latere ontwikkelingen

De laatste persoon die in België werd geëxecuteerd, was een Duitser. Philipp Schmitt was tijdens de oorlog aangesteld tot kampcommandant van het Fort van Breendonk tot november 1943. Daarnaast kreeg hij ook korte tijd het bevel over de Dossin-kazerne in Mechelen. Gebrandmerkt als oorlogsmisdadiger werd hij op 8 augustus 1950 terechtgesteld. Aangezien de veroordeling in vredestijd werd uitgesproken moest de straf in feite uitgevoerd worden met de guillotine. Op 7 augustus 1950 vaardigde Leopold III echter (zijn enige) genadebesluit, waardoor de dood door onthoofding werd omgezet in de kogel. Hierna is de doodstraf nooit meer uitgevoerd, al is het vonnis in de 2de helft van de 20ste eeuw nog regelmatig geveld. Bijvoorbeeld in 1987 werd in ons land nog 69 maal de doodstraf uitgesproken, al werd die zoals reeds gezegd automatisch omgezet tot een mindere straf (met name levenslang).

Omdat men inzag dat het Strafwetboek van 1867 stilaan aan de tijd moest aangepast worden, stelde men in 1983 professor Robert Legros aan als Koninklijk Commissaris voor de Herziening van het Strafwetboek. In de loop van 1985 bracht hij zijn Voorontwerp van Strafwetboek bekend, waarin voorgesteld werd om zowel de doodstraf (artikel 91 van het voorstel) als dwangarbeid te schrappen. Er werd nauwelijks rekening gehouden met zijn document, waardoor België zich enigszins in negatieve zin liet opmerken in de internationale gemeenschap. Pas midden jaren negentig kwam er weer schot in de zaak. Onze buurlanden daarentegen hadden al lang voordien vooruitgang geboekt. De afschaffing in de strafwetgeving van Frankrijk gebeurde bijvoorbeeld al in 1981, maar ook Nederland (1982), Duitsland (1987), Luxemburg (1979) hadden intussen besloten definitief komaf te maken met de doodstraf.

België op internationaal vlak

Strafwetgeving is bij uitstek een nationale aangelegenheid, maar dat neemt niet weg dat er recent een tweetal internationale initiatieven van belang zijn ondernomen die de afschaffing doorheen de wereld een duwtje in de rug hebben geholpen.

Het Zesde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden inzake de afschaffing van de doodstraf werd in december 1982 goedgekeurd door het Comité van ministers in de Raad van Europa. Op 28 april 1983 werd het opengesteld voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa in Straatsburg. België heeft het protocol op die datum dan ook ondertekend. Niet onbelangrijk is dat het hier ging over de afschaffing van de doodstraf in vredestijd. Lidstaten met wettelijke bepalingen omtrent doodstraf die verband houden met feiten begaan in tijden van oorlog mochten wel nog toetreden.

Om tot dit Zesde Protocol toe te treden, moest een staat de doodstraf wel uit haar wetgeving bannen. Dit betekent dat België het protocol nog niet kon bekrachtigen na haar ondertekening in 1983, aangezien het Strafwetboek uit 1867 nog steeds ongewijzigd bleef. Het werd pas mogelijk dankzij de wet van 10 juli 1996. Die wet schrapte de doodstraf als sanctie definitief uit het Strafwetboek. Op 1 juli 1998 behoorde België nog tot een van de vijf landen die wel ondertekend, maar niet bekrachtigd hadden, terwijl reeds 28 van de 40 lidstaten van de Raad van Europa de bekrachtiging volledig hadden afgehandeld. Naar aanleiding van de 50ste verjaardag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens werd op 26 maart 1998 de instemming bekomen voor het protocol vanwege de voltallige Senaat. Een van de overwegingen die bij de bespreking ervan expliciet naar voren kwam was dat, hoe meer landen ratificeerden, hoe groter de druk op andere landen om tot ratificatie over te gaan. Ook was men er unaniem van overtuigd dat de ratificatie van een dergelijk verdrag een logisch gevolg was van het fundamenteel principe van het recht op leven dat vanzelfsprekend ook tot uiting was gekomen in de wet van 10 juli 1996.

Het belang van dit protocol ligt vooral in het feit dat, als gevolg van de ratificatie, België de doodstraf niet opnieuw kan invoeren. Voorts moet nog opgemerkt worden dat de doodstraf niet enkel in vredestijd, maar evenmin in oorlogstijd mag ingevoerd worden. Die bepaling werd vastgelegd in het Tweede Facultatieve protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966. Dit werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 15 december 1989 in New York. België ondertekende het protocol op 12 juli 1990, en bekrachtigde het tegelijkertijd met het reeds besproken Zesde Protocol. Ook dit Tweede Facultatieve Protocol beoogde de afschaffing van de doodstraf, al konden staten echter een voorbehoud maken voor de doodstraf in oorlogstijd of misdrijven van militaire aard. België had beslist hier geen gebruik van te maken, waardoor de sanctie sindsdien in geen enkel geval terug in de Belgische wetgeving kon terugkeren.

Na het Zesde Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens volgde het 13de Protocol, dat de afschaffing van de doodstraf, ook in oorlogstijd, beoogt. Ook dit Protocol werd intussen door België ondertekend en geratificeerd.

Wettelijke afschaffing in België

Laten we even terugkomen op de beslissing in eigen land om de doodstraf af te schaffen. België verkeerde voordien in het gezelschap van Papoea Nieuw-Guinea als staat waarin de doodstraf al het langst niet meer bestond in de praktijk, maar wel nog altijd in de wetgeving was ingeschreven als zwaarste strafmaatregel. Hoewel Papoea Nieuw-Guinea momenteel nog steeds in dezelfde situatie verkeert, kwam de bal in België aan het rollen omstreeks het midden van de jaren ’90.

Verscheidene redenen brachten de toenmalige politici om er werk van te maken. Naast het reeds vermelde engagement op internationaal vlak was er ook het werk van de mensenrechtenbeweging die bleef hameren op deze institutionele ongerijmdheid. Ook niet onbelangrijk bleek dat verschillende landen niet geneigd waren om verdachten van een in ons land voltrokken misdrijf uit te leveren omwille van het bestaan van de doodstraf in onze wetgeving. Zo is er het geval van Bonato Di Donato, een Italiaan die op 27 januari 1989 in het Henegouwse Ressaix medeplichtig werd bevonden aan de moord op Stéphane Steinier. Voor de moord op deze journalist van La Nouvelle Gazette kreeg Di Donato uiteindelijk 25 jaar cel in het Italiaanse Chieti, maar Italië weigerde de man in 1995 aan ons land uit leveren, op grond van het bestaan van de doodstraf in onze wetgeving. Italië had namelijk een jaar tevoren besloten om de doodstraf finaal af te schaffen.

Het politieke debat over de doodstraf kreeg vooral vorm in 1995 en mondde uit in de reeds aangehaalde wet van 10 juli 1996, toen ook België het voorbeeld volgde van de buurlanden. Hieraan ging echter wel nog een interne discussie vooraf, waarbij overwogen werd om de doodstraf toch nog mogelijk te maken in oorlogstijd. Die strekking haalde het echter niet, onder meer dankzij de bijkomende argumentatie van o.a. Amnesty International en professor sociologie Luc Huyse. Hierdoor werd de doodstraf met andere woorden op elke mogelijke manier en in elke mogelijke context verbannen.

In 2003 werd voorgesteld om afschaffing van de doodstraf zelfs op te nemen in de Grondwet, wat in 2005 uiteindelijk ook gebeurde. Dankzij deze grondwetsherziening kan ze in principe slechts terug ingevoerd worden door een bijzondere meerderheid. Op die manier zou een dergelijke beslissing vanzelfsprekend een pak moeilijker worden en in de praktijk zelfs onmogelijk zijn.

Huidige stand van zaken

Daarmee lijkt het proces vrijwel geheel afgerond, ware het niet dat er her en der nog verwijzingen naar de doodstraf bestaan. In de meeste gevallen betreft het vrij onschuldige details. Desondanks komt het begrip bijvoorbeeld nog voor in de wet aangaande overeenkomsten van landverzekeringen. In de wet wordt bepaald dat een verzekeraar niets moet uitbetalen als de dood het gevolg is van de doodstraf. Zo kan een verzekeraar voordeel halen uit de doodstraf, ook al vindt die in een ander land plaats. Enkele parlementsleden hebben zich in 2009 echter geëngageerd om dergelijke onethische en anachronistische elementen definitief te verwijderen uit alle wetgeving.

Daarmee komt een einde aan de doodstraf, althans in België. Met het oog op het afschaffen in andere landen kan ons land zeker nog een belangrijke voortrekkersrol spelen. Volgens de jaarlijks door Amnesty International gepubliceerde inventaris van landen met de doodstraf blijven er in 2014 nog 22 staten over. Er valt dus beslist nog werk te verzetten.

hier niet op duwen