Veelgestelde vragen over het Europese asiel- en migratiepact
Vanaf 12 juni gelden er nieuwe regels voor asiel en migratie in de Europese Unie. Wat op papier klinkt als een technische hervorming van regels en procedures, zal in de praktijk een grote impact hebben op het leven van duizenden mensen op de vlucht. Een greep uit de gevolgen: mensen op de vlucht worden minder goed beschermd, meer mensen riskeren te worden opgesloten en verantwoordelijkheden worden verschoven naar landen buiten de Europese Unie.
Wat verandert er precies? Hoe kijkt Amnesty International tegen de nieuwe regels aan? We zetten de belangrijkste vragen op een rij.
Wat is het Europese asiel- en migratiepact?
Het Europese asiel- en migratiepact (kortweg ‘het pact’) legt nieuwe regels en afspraken vast over asiel en migratie. Het is een veelomvattend pact dat bepaalt hoe landen van de Europese Unie omgaan met mensen op de vlucht. De regels gaan onder meer over de asielprocedure, opvang en samenwerking tussen EU-landen.
Het pact werd in 2020 voorgesteld door de Europese Commissie en in 2024 goedgekeurd in het Europees Parlement en door de Raad van de EU. Lidstaten, inclusief België, kregen twee jaar om hun wetgeving en systemen aan te passen aan de nieuwe regels. Vanaf 12 juni 2026 moeten alle EU-landen de nieuwe regels toepassen.
Wat vindt Amnesty International van het nieuwe migratiepact?
Volgens Amnesty International zet het nieuwe migratiepact de deur open voor mensenrechtenschendingen. In de praktijk dreigt het pact te leiden tot minder bescherming voor mensen op de vlucht.
Het pact geeft voorrang aan versnelde procedures en kortere beroepstermijnen. Daardoor krijgen mensen minder tijd om hun verhaal te doen en juridische hulp te krijgen, en neemt het risico toe dat ze worden teruggestuurd naar een land waar ze niet veilig zijn. Tegelijk zullen meer mensen in detentie belanden, ook gezinnen met kinderen, mogelijk al bij aankomst tijdens de verplichte screeningsprocedure.
Daarnaast maakt het pact het mogelijk voor landen om hun verantwoordelijkheid verder af te schuiven naar landen buiten de EU, wat het risico op mensenrechtenschendingen vergroot. Ondertussen biedt het pact geen oplossing om de druk op landen aan de buitengrenzen van de Europese Unie te verlichten, dit zal opnieuw leiden tot slechte levensomstandigheden en lange procedures aan de grenzen.
Europa schuift zo steeds verder weg van bescherming naar nog strengere controle. In de veelgestelde vragen hierna lichten we onze belangrijkste bezorgdheden verder toe.
Veelgestelde vragen
Mensen die de EU binnenkomen zonder geldige reisdocumenten, worden eerst ‘gescreend’. De migratieautoriteiten controleren hun identiteit, gaan na of er een veiligheidsrisico is en of ze bepaalde kwetsbaarheden vertonen, zoals mentale of fysieke problemen. Aan de buitengrenzen van de Europese Unie zullen mensen op de vlucht verplicht zo’n screening ondergaan, maar ook binnen de lidstaten wordt een screening mogelijk.
Amnesty maakt zich zorgen dat die screening in praktijk vaak zal gebeuren in gesloten of sterk gecontroleerde locaties waar mensen enkele dagen worden vastgehouden. Op het Grieks eiland Samos bestaat zo’n screeningssysteem al. Daar stelt Amnesty vast dat screening neerkomt op langdurige opsluiting in slechte omstandigheden, ook voor kwetsbare personen.
Bovendien dreigen zulke screeningprocedures te leiden tot willekeurige en discriminerende controles, waarbij vooral minderheden en mensen van kleur geviseerd worden. Dat creëert een vijandige omgeving waarin minderheden en mensen van kleur – ongeacht hun verblijfsstatus – een verhoogd risico lopen om het doelwit te worden van discriminerende controles, en mogelijk ook worden vastgehouden zonder voldoende waarborgen.
Het pact voorziet naast een ‘gewone’ asielprocedure een uitgebreide waaier aan versnelde procedures. Veel meer mensen zullen in een versnelde procedure terechtkomen, waarbij hun aanvraag dubbel zo snel afgehandeld moet worden.
Dat heeft concrete gevolgen. Mensen krijgen minder tijd om zich voor de bereiden en de versnelde procedure laat niet altijd de nodige tijd om iemands verhaal, kwetsbaarheden en nood aan bescherming goed te begrijpen. Een advocaat krijgt ook slechts een korte tijd om een beroep voor te bereiden. Sommige mensen kunnen zelfs worden teruggestuurd voordat hun beroep is behandeld.
Door de sterke focus op versnelde procedures en snelle terugkeer wordt het risico op fouten groter en kan iemand teruggestuurd worden naar een land waar het niet veilig is.
De versnelde procedure is bijvoorbeeld van toepassing op mensen uit zogenoemde veilige landen. Op de lijst van “veilige landen” staan onder meer Bangladesh, Colombia, Egypte, India, Marokko en Tunesië. Die landen zijn echter allesbehalve veilig voor iedereen. In landen als Egypte, Marokko en Tunesië lopen politieke tegenstanders, journalisten, mensenrechtenverdedigers en LGBTI+ personen net veel risico. In elk van de genoemde landen stelde Amnesty International ernstige mensenrechtenschendingen vast.
Het migratiepact bepaalt dat EU-landen voldoende opvangcapaciteit moeten voorzien. Ze moeten ervoor zorgen dat mensen tijdens een asielprocedure kunnen leven in menswaardige omstandigheden. Personen moeten toegang krijgen tot taallessen en integratiecursussen. Kinderen moeten binnen de twee maanden naar school kunnen en volwassenen moeten binnen de zes maanden kunnen werken.
Dat is een broodnodige herinnering voor de Belgische regering die al jaren weigert om voldoende opvang te voorzien. Mensen die bescherming zoeken in ons land, moeten daardoor overleven in tentjes, op straat, in stations of in kraakpanden.
Maar de opvangregeling van het pact is niet alleen maar positief. Mensen op de vlucht die doorreizen naar een ander EU-land, verliezen vaak hun recht op opvang. Het land van bestemming moet dan enkel nog in ‘basisbehoeften’ voorzien. Nochtans reizen mensen vaak door naar een land omdat daar familie woont of omdat ze in het eerste land geen echte bescherming kregen of zelfs geweld meemaakten.
Landen krijgen meer mogelijkheden om mensen op de vlucht op te sluiten, zowel tijdens de asielprocedure als bij gedwongen terugkeer. Volgens het pact moet detentie ‘een laatste redmiddel’ zijn, maar de criteria om mensen te mogen opsluiten zijn vaak vaag en ruim geformuleerd. Daardoor is het waarschijnlijk dat landen meer mensen effectief zullen opsluiten. Een persoon zonder verblijfsrecht kan opgesloten worden tot wel twee jaar.
Volgens het migratiepact mogen EU-landen ook kinderen opsluiten. Nochtans is het opsluiten van kinderen zeer schadelijk voor hun gezondheid en ontwikkeling, zelfs als de opsluiting kort is en onder ‘relatief menselijke’ omstandigheden. Het internationaal recht is heel duidelijk: kinderen opsluiten om migratieredenen is in strijd met kinderrechten. Elk kind hoort vrij te zijn en verdienen bescherming, veiligheid en stabiliteit.
Amnesty verzet zich ook tegen de opsluiting van andere mensen in een kwetsbare positie – zoals zwangere personen, mensen met een handicap of slachtoffers van mensenhandel – die volgens het pact toch kunnen worden opgesloten.
Landen aan de buitengrenzen van de Europese Unie, zoals Griekenland, Italië en Spanje, zijn typische aankomstlanden voor mensen op de vlucht. Om de opvang van mensen beter te spreiden, voorziet het migratiepact in een systeem van solidariteit tussen lidstaten.
Maar in de praktijk mogen landen zelf kiezen hoe ze bijdragen. Ze kunnen ervoor kiezen om mensen op te vangen, maar kunnen ook betalen of operationele steun bieden. Zo kunnen landen hun verantwoordelijkheid dus “afkopen”. Voor 2026 koos België ervoor om enkel financiële steun te bieden.
Een echte verdeling van verantwoordelijkheid tussen EU-landen blijft daardoor uit. Mensen op zoek naar bescherming dreigen zo opnieuw terecht te komen in overvolle opvangkampen en vertraagde procedures aan de buitengrenzen.
Bovendien staat het pact ook toe dat EU-landen hun financiële bijdrage gebruiken voor migratieprojecten - denk aan een opvang- of detentiecentrum - buiten de EU. Zo verschuift Europa opnieuw de verantwoordelijkheid naar andere landen, in plaats van meer humane en duurzame oplossingen te vinden binnen Europa.
Het migratiepact laat toe dat EU-landen hun verantwoordelijkheid over migratie en bescherming afschuiven op landen buiten de EU. Deze aanpak wordt vaak “externalisering” genoemd.
Wat wordt er onder meer mogelijk onder het pact?
Een EU-land kan de asielprocedure uitbesteden aan een land buiten de Europese Unie. Een persoon die in de EU bescherming zoekt, wordt dan weggestuurd naar een ‘veilig derde land’ om daar de asielprocedure te doorlopen, ook al heeft die persoon geen enkele band met dat land.
Ook mensen zonder wettig verblijf – van wie bijv. het visum is verlopen of na een negatieve asielbeslissing – kunnen worden opgepakt en naar een detentiecentrum buiten de EU worden gestuurd, zogenaamde “terugkeerhubs”. In deze detentiecentra moeten mensen dan wachten op terugkeer naar hun herkomstland.
De EU schuift op die manier haar verantwoordelijkheid af op landen buiten de EU – vaak tegen grote kost – en vergroot daarmee het risico op mensenrechtenschendingen. Eerdere voorbeelden zoals de offshore detentie op de eilanden Nauru en Manus door Australië en detentie in Albanië door Italië, tonen hoe het afschuiven van verantwoordelijkheid leidt tot o.a. willekeurige detentie, gebrek aan rechtsbijstand en erbarmelijke levensomstandigheden.
Het pact is ontworpen om mensen zo snel mogelijk uit Europa te krijgen. Tegelijk proberen vele EU-landen te voorkomen dat personen op de vlucht Europa zelfs maar bereiken. Dat gebeurt al door deals met landen zoals Tunesië en Libië, waar mensen op de vlucht worden tegengehouden en het risico lopen op detentie, verkrachting, afpersing en dwangarbeid.
Het migratiepact bevat noodregels voor situaties waarin er plots meer mensen aankomen aan de Europese grenzen, of wanneer migratie zogezegd bewust wordt gebruikt om druk uit te oefenen op de EU (‘instrumentalisering’). In zulke gevallen mogen lidstaten afwijken van de gewone asiel- en opvangregels.
Dit heeft grote gevolgen voor mensen op de vlucht. Ze moeten langer wachten op de registratie van hun asielaanvraag, nog meer personen belanden in versnelde procedures met minder garanties op eerlijke behandeling, en het risico op detentie neemt toe.
Amnesty vreest dat EU-landen te snel naar zulke noodmaatregelen zullen grijpen en daardoor de rechten van mensen op de vlucht verder te zullen ondermijnen.
In de praktijk werden crisismaatregelen al toegepast aan de grens met Belarus, waarbij Polen, Litouwen en Letland mensen op de vlucht toegang tot veiligheid weigerden en hen gewelddadig terugdrongen zonder kans om asiel aan te vragen. Zo werd het recht op bescherming volledig uitgehold.
Kan het ook anders?
Met het nieuwe migratiepact zet de EU zijn lidstaten aan om nationale wetgeving uit te werken waarin detentie, dwang en uitzetting centraal staan in plaats van bescherming, menselijke waardigheid en mensenrechten.
Voor mensenrechtenproblemen die vandaag bestaan – zoals illegale en gewelddadige pushbacks, mensonwaardige opvangomstandigheden, het recht op asiel dat wordt miskend – biedt het migratiepact geen oplossing, integendeel.
Bij de implementatie van het pact kan, en moet, België nog keuzes maken. Amnesty International roept de Belgische overheden op om het pact uit te voeren in lijn met mensenrechten. Dat betekent: veilige en legale toegangswegen creëren, investeren in eerlijke en zorgvuldige asielprocedures, zorgen voor voldoende en menswaardige opvang en echte solidariteit organiseren om mensen op de vlucht een toekomst te bieden.