Murhabazi Namegabe: strijder voor kinderrechten, bevrijder van kindsoldaten

Murhabazi Namegabe: strijder voor kinderrechten, bevrijder van kindsoldaten

Blog
Auteur: 
Gorik Zelderloo en Jimmy Martens

“Een kwestie van leven of dood”
 

Al ruim dertig jaar komt Murhabazi Namegabe op voor de rechten van kinderen, in het bijzonder de kindsoldaten. Hij doet dat in Oost-Congo, een van de woeligste plaatsen in de wereld, met gevaar voor zijn eigen leven en dat van zijn medewerkers, van wie er intussen al zeven vermoord zijn.

“Hier is de strijd voor de rechten van kinderen een kwestie van leven of dood. En ik ben bereid mijn leven te geven voor deze strijd, elke dag”, zei hij toen hij in 2011 de World’s Children’s Prize kreeg. Zijn ‘palmares’ is indrukwekkend: sinds 1992 heeft hij zo’n 130.000 kinderen geholpen en is hij erin geslaagd meer dan 7.600 kinderen te redden uit de klauwen van gewapende groepen en legers, waar in het oosten van Congo helaas geen gebrek aan is. Amnesty-vrijwilliger Gorik Zelderloo sprak met hem.

Het engagement van Murhabazi gaat al meer dan dertig jaar terug. Hij groeit op in een van de armere wijken van Bukavu, de hoofdstad van Zuid-Kivu, in het herhaaldelijk door oorlogsgeweld fel geteisterde oosten van Congo. Tijdens zijn jeugd ziet hij al hoe veel kinderen het minder goed hebben dan hij.

Op 20 november 1989 neemt de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties het Internationale Verdrag over de Rechten van het Kind aan. Hoe is het met de rechten van kinderen bij ons gesteld, vraagt Murhabazi zich af. Met een aantal geïnteresseerden uit allerlei sectoren van de maatschappij (gezondheidszorg, onderwijs, sociologie, gerecht) trekt hij op onderzoek uit, van de stad tot de meest afgelegen dorpen. De toestand van de kinderrechten in Bukavu is ronduit bedroevend, is hun conclusie. Maar de autoriteiten hebben geen oren naar hun aanklachten en dreigen Murhabazi en zijn medestanders zelfs achter de tralies te gooien als ze niet ophouden met hun kritiek.

Pas nadat Congo (toen nog Zaïre) in 1990 zelf het Kinderrechtenverdrag heeft geratificeerd, neemt de overheid hun aanbevelingen ernstig. In 1992 richten Murhabazi en zijn medewerkers BVES op (Bureau pour le Volontariat au service de l’Enfance et de la Santé).

Kinderen in veel te grote uniformen

Aanvankelijk richt Murhabazi’s organisatie zich op de opvang van kinderen die het slachtoffer waren van armoede en familieruzies. Ze stampt een aantal centra uit de grond voor de opvang en begeleiding van straatkinderen. “Toen wisten we natuurlijk niet dat er een oorlog op komst was”, zegt Murhabazi.

De oorlog en genocide in het buurland Rwanda drijft een stroom vluchtelingen de grens over naar Bukavu. Murhabazi en zijn organisatie staan klaar om de Rwandese en Burundese kinderen op te vangen die hun ouders tijdens hun vlucht kwijt zijn geraakt.

Murhabazi: “Al snel blijken er ook kleine kinderen in vaak veel te grote, militaire uniformen in de stad rond te hangen. Uit hun verhalen blijkt dat ze tijdens de genocide gedrogeerd werden en mensen vermoord hebben. Onze organisatie ontwikkelt een traject van opvang en heropvoeding. En we gaan in de vluchtelingenkampen op zoek naar hun ouders.”

In 1996 is Bukavu zelf het toneel van een oorlog. De opstandelingen van Laurent-Désiré Kabila – de latere president en vader van de huidige president Joseph Kabila – veroveren Bukavu en starten met een grootschalige rekruteringscampagne. De bevolking geeft massaal gehoor aan de oproep om mannen maar ook kinderen te laten inlijven in het rebellenleger, voor een dagelijkse maaltijd en geld.
BVES kant zich fel tegen deze mobilisatie en Murhabazi maakt voor het eerst – maar niet voor het laatst – kennis met de gevangenis.

Murhabazi: “Ik werd opgesloten in een soort militair kamp en beschuldigd van contrarevolutie. Een ex-leerling van mij redde mij. Hij was een Munyamulenge (een Congolese Tutsi) die ik jaren geleden, samen met anderen, had gered van een lynchpartij door studenten op de universiteit. Nu was hij één van de leiders van het rebellenregiment en hij liet mij gaan. Anders liep ik het risico geëxecuteerd te worden.”

Samenwerking met militaire leiders cruciaal

Sindsdien trekt BVES zich specifiek het lot van de kindsoldaten aan.

Murhabazi: “Bij een poging tot demobilisatie door de nieuwe regering in Kinshasa kregen we meer dan 200 kindsoldaten toegewezen om te identificeren, begeleiden en te herenigen met hun families. Deze kinderen waren zeer gewelddadig geworden en gebruikten allerlei verdovende middelen.”
In 1998 is het opnieuw oorlog in Bukavu. De RCD (Rassemblement Congolais pour la Démocratie), die met de steun van Rwanda tegen het regime van Kabila vecht, nemen Bukavi in en pikken daarbij 60 kinderen uit Murhabazi’s centrum mee.

Murhabazi: “De RCD probeert, net als Kabila’s rebellenleger twee jaar voordien, met beloften van geld en militaire roem mannen en kinderen in te lijven. Het lukt niet meer. De mensen voelden zich belogen de vorige keer. Velen zijn elk contact met hun kinderen kwijt, de revolutie heeft ook niet de beloofde vrede en welvaart gebracht. Het gevolg is dat de rebellen kinderen ontvoeren om ze in hun leger in te lijven. De volgende jaren duiken andere rebellengroepen op, uit Burundi, Oeganda of Soedan. Legers financieren zichzelf met opbrengsten uit de mijnen of de houthandel. Dorpen richten hun eigen verdedigingslegers op, de Maï-Maï. Kinderen vanaf 5 jaar worden in deze gewapende groepen opgenomen.”

Vandaag beschikt BVES over drie centra voor dag- en nachtopvang, die plaats bieden aan 350 kinderen.

Murhabazi: “Daarnaast hebben we in elke territoire van de provincie een dagcentrum. Dat kan een school zijn, of een simpel gebouw, waar we voormalige kindsoldaten kunnen samenbrengen om hen psychologisch te begeleiden en ook te onderwijzen. De kinderen volgen een traject van drie maanden. Ze zijn tussen de 8 en 18 jaar. Sommige meisjes hebben al baby’s of kleine kinderen na zwangerschappen bij de rebellen.”
BVES werkt samen met het Rode Kruis en de VN-vredesmacht (Monusco) om gezinsherenigingen mogelijk te maken. Het lukt hen om voor 85% van de kinderen hun familie terug te vinden. Sinds 2009 heeft Congo ook waar BVES sinds zijn ontstaan heel veel energie in heeft gestoken: een wet die kinderen bescherming biedt, gebaseerd op alle internationale normen. De wet biedt VESB een kader om in te werken.
Maar pas echt cruciaal is de samenwerking met de militaire autoriteiten.

Murhabazi: “Zij zijn degenen die kinderen rekruteren. De meeste militairen hebben echter nog nooit gehoord van mensenrechten of de rechten van het kind. Wij hebben daarom een strategie die zich richt op de legerleiding. We voorzien in vormingen voor militaire leiders over de kinderrechten, de Congolese en internationale wetgeving. Zo is het rekruteren van kinderen onder de 18 strafbaar volgens de Congolese wet van 2009, met sancties tot 25 jaar gevangenis. Sinds 5 jaar is het regeringsleger ook effectief gestopt met het inzetten en rekruteren van kinderen jonger dan 18 jaar. Het leger is zo een partner geworden voor ons, en dat is een heel grote vooruitgang. Vandaag kan ik in overleg met de chefs een rebellengebied binnengaan en met een aantal minderjarigen terugkomen. De soldaten zullen mij, en de kindsoldaten, niet tegenhouden.”

“Het gevaar komt van overal”

Niet dat de werking van Murhabazi nu volledig en altijd van een leien dakje loopt. Weerstand en slechte wil blijven er in overvloed om tegen te vechten. Bedreigingen en fysieke aanvallen zijn schering en inslag. In 2017 alleen al werd hij zeven keer bedreigd of aangevallen in zijn centrum in Bukavu. Het valt niet altijd uit te maken wie de belagers zijn, en wat hun motieven zijn. “Ik heb ondertussen veel vijanden gemaakt bij het leger en de vele rebellengroepen”, licht Murhabazi laconiek toe. “We volgen ook hoe multinationals profiteren van kinderarbeid in de mijnen. Het gevaar kan van alle kanten komen.”
Om de bedreigingen voor ons concreet te maken, beschrijft hij een aantal recente voorvallen.

Murhabazi: “In februari zit ik aan mijn bureau. Plots komen drie gewapende mannen binnen en sommeren me op de grond te gaan zitten. Ze stellen me vragen, maar ik kan me eruit praten. Ze vertrekken met allerlei documentatie, ons register, USB-sticks… maar de computers laten ze staan. Als ik achteraf de politie bel, belooft die een onderzoek, maar ik heb er niets meer over gehoord.”

“Op 4 april worden onze drie centra ‘s ochtends omsingeld door 15 tot 30 gewapende mannen. Ik ben nog thuis en word verwittigd door onze beveiliging. De mannen doen niets en laten iedereen binnen en buiten gaan, maar ze blijven wel staan. Ze wachten op mij. Ik contacteer alle veiligheidsdiensten die ik ken, maar niemand komt opdagen. Vijf dagen houden de indringers die intimidatie vol. Uiteindelijk stap ik naar de provinciegouverneur. Hij kan me niet helpen, zegt hij, en hij geeft toe dat hij zelf niet zeker is van zijn eigen veiligheid. Daarom vertrek ik voor drie maanden naar Goma.

“Op een avond in juli komen mijn drie kinderen niet thuis van school. Pas drie dagen later vinden we ze terug in een verlaten gebouw. Ze waren gedrogeerd en moesten naar Kigali voor medische zorgen. We hebben overal klachten ingediend maar er zijn geen verantwoordelijken gevonden. Ook een groot mysterie blijft wie de eigenaar is van het gebouw waar mijn kinderen zijn vastgehouden.”

Steun van Amnesty

Ondanks de gevaren, bedreigingen en intimidaties zetten Murhabazi en zijn team hun strijd voor kinderrechten en voor de lotsverbetering van kindsoldaten voort. Waar haalt hij dat doorzettingsvermogen vandaan?
Murhabazi: “Er zijn natuurlijk de kinderen zelf, voor wie we een groot verschil maken. Elk jaar zien we het resultaat van ons werk en dat blijft onze sterkste motivatie.
“We krijgen ook veel steun, uit binnen- en buitenland. Organisaties als Front Line Defenders ijveren voor onze veiligheid. De VN-blauwhelmen van Monusco patrouilleren voor onze centra.
“En dan is er nog de steun van Amnesty International. Sinds 1998 krijgen we documentatie, rapporten, financiële steun, kaarten, brieven en petities van de Zwitserse, Deense, Duitse en Belgische Amnesty-secties. Het materiaal dat we van Amnesty krijgen, de gidsen en dergelijke, is bijzonder nuttig voor ons. Ik heb er altijd één op zak. Om de twee jaar, ten slotte, word ik uitgenodigd voor een fysieke en mentale break in Europa. Als ik de steun van al die secties ervaar, voel ik mij een echte wereldburger.”

Hij spreekt zijn diepe dank uit “voor elke activist, jong of oud, die zich inzet voor Congo” en vraagt de Belgische activisten hun solidariteit vol te houden.

Murhabazi: “Ik ben onder de indruk van de mobilisatiekracht van Amnesty in België. Het voornaamste dat wij mensenrechtenactivisten nodig hebben, is een effectieve rechtsstaat en democratie. Als de regels van de rechtsstaat voor ons zouden gelden, zouden wij in een stabiel kader kunnen werken. We hebben alle mogelijke steun nodig om een democratische rechtsstaat af te dwingen. Hiervoor is zowel internationale druk nodig als steun aan de activisten op het terrein.

“Ik vraag dan ook aan de Belgische activisten om hun solidariteit te blijven volhouden. Houd contact met Congolese activisten, steun hen met schrijf- en andere acties en probeer ook een financiële bijdrage te leveren. In Congo is de armoede een enorme belasting voor ons werk. We hebben meer middelen nodig om degelijk werk te kunnen leveren.”


 

Blijf brieven sturen, de minister leest ze”

 

Als wij brieven sturen naar Congolese bestuurders, heeft dat zin?

“Zeker en vast”, antwoordt Murhabazi. “Zelfs minister Mende trekt twee uur uit om de rapporten van Amnesty te lezen. De ministers van defensie, van justitie, zelfs de president… Deze politieke leiders zijn zich erg bewust van de druk die onder andere Amnesty International uitoefent. Ze weten dat ze ooit rekenschap zullen moeten afleggen.

“Zij komen ook vaak in Europa en weten dat ze zich niet alles kunnen permitteren. In de provincies daarentegen zijn politici en beleidsmensen zich veel minder bewust van de buitenlandse druk. Ik ken generaals die zelfs niet kunnen lezen... Daarom lijkt het mij beter voor jullie om het nationale niveau te viseren. Jullie moeten de regering viseren.”