Afbeelding
IS vernielde opzettelijk Iraakse landbouw
Rapport

IS vernielde opzettelijk Iraakse landbouw

12 december 2018

Islamitische Staat (IS) saboteerde opzettelijk irrigatiesystemen en vernielde de landbouwinfrastructuur van de jezidi-minderheid in het noordwesten van Irak. Daarmee maakte de gewapende groep zich schuldig aan oorlogsmisdaden en misdaden tegen de mensheid.

Dit zegt Amnesty International in een nieuw onderzoeksrapport, Dead Land: Islamic State’s Deliberate Destruction of Iraq’s Farmland.

lees het volledige rapport

Het rapport verduidelijkt ook hoe IS ook boomgaarden in brand stak, vee en machines roofde en landmijnen legde in landbouwzones. Het onderzoek komt er een jaar nadat de Iraakse overheid de militaire overwinning op IS heeft uitgeroepen.



“De schade die werd toegebracht aan het Iraakse platteland is even groot als die in de steden, maar de gevolgen voor de plattelandsbewoners worden grotendeels over het hoofd gezien”, zegt Richard Pearshouse van Amnesty International.



“Uit ons onderzoek blijkt dat IS moedwillig het platteland rond het Sinjar-gebergte verwoestte en zo de bestaanszekerheid van jezidi’s en andere landbouwgemeenschappen in het gedrang bracht. Honderdduizenden ontheemde landbouwers en hun families kunnen niet terug naar huis omdat IS er alles aan deed om landbouw onmogelijk te maken.”

Amnesty International bezocht landbouwzones in het noorden van Irak, waaronder het district Sinjar, waar een groot deel van de jezidi-gemeenschap leefde voor 2014 en waar heel veel schade op het platteland werd aangericht. Amnesty interviewde 69 mensen voor dit rapport, onder wie 44 huidige en voormalige boeren.

Vernietiging van vitale waterbronnen

IS pleegde veelvuldig oorlogsmisdaden en misdaden tegen de mensheid zoals moord, vervolging, verkrachting en slavernij. Daarbovenop komt ook de sabotage van vitale waterbronnen van heel wat zelfvoorzienende en kleine boeren.



IS-strijders gooiden vaak brokstukken, olie of andere objecten in de waterputten en stalen of vernielden pompen, kabels, generatoren en transformatoren. Daarnaast verbrandden of hakten ze hele boomgaarden om en stalen ze onmisbare elektriciteitsleidingen.

Hadi, een voormalige landbouwer van midden de veertig uit een dorpje ten zuiden van het Sinjar-gebergte, vertelde Amnesty International wat hij zag toen hij terugkeerde naar zijn boerderij, nadat hij in 2014 was gevlucht voor IS:

“Het was de totale vernieling. Ik had een waterbron, 220 meter diep, een generator en een buizenstelsel voor irrigatie. IS gooide mijn waterput tot de rand vol met steenpuin. Mijn bomen waren geveld – ik kon de markeringen zien van de kettingzagen. Het irrigatiesysteem, van de pomp naar de leidingen, was gestolen. Ze deden het om mij een boodschap te sturen: er is niets om naar terug te keren, dus als je wil overleven, moet je er zelfs niet eens aan denken om hier terug te komen.”

Majdal, een boer van midden de vijftig uit een ander dorp ten zuiden van het Sinjar-gebergte, zei:

“Er is niets meer. Het huis is vernield en alle bomen zijn platgebrand. We hadden honderd olijfbomen, maar toen ik ging kijken, zag ik geen enkele boom meer staan. Ze waren omgehakt en verbrand… Ze wilden dat we alles kwijt zouden zijn. Ze wilden niet dat we nog zouden kunnen terugkeren naar ons land.”

Amnesty International bezocht een verlaten boerderij in een dorpje dicht bij de stad Sinune, ten noorden van het Sinjar-gebergte. IS-strijders hadden olie in een waterput gegooid en afval gedumpt in een andere. Een grote watertank was leeg en er lagen kapotte plastic irrigatiebuizen verspreid over de grond. Aangrenzende velden lagen er kaal bij.

Ingenieurs vertelden Amnesty International dat zij er niet aan twijfelden dat de vernielingen bewust gebeurd waren. Dit gebeurde op grote schaal. Lokale ambtenaren schatten dat IS, in de streek van Sinune alleen al, 400 van de 450 irrigatieputten buiten werking heeft gesteld.

Algemene schade aan landbouwsector

Door het conflict met IS kelderde de Iraakse landbouwproductie, die vandaag 40% lager ligt dan in 2014. Voor de aanwezigheid van IS had ongeveer twee derde van de Iraakse landbouwers toegang tot irrigatie – amper drie jaar later is dat teruggevallen tot 20%. Ongeveer 75% van de veestapel is verloren, in sommige gebieden loopt dat verlies op tot 95%.



Niet meer dan ongeveer de helft van de mensen die ontheemd raakten nadat IS de controle had veroverd in 2014 over Sinjar en omgeving zijn naar huis teruggekeerd. Veel binnenlandse vluchtelingen vertelden Amnesty International dat ze het gevoel hadden dat er niets meer was om naar terug te keren, omdat hun boerderij en bestaansmiddelen zo goed als verdwenen waren. Elders in Irak heerst op het platteland hetzelfde gevoel.



“Tenzij de regering dringend steun voorziet, zal de schade die werd toegebracht aan het plattelandsmilieu in Irak nog jaren nazinderen. Toen IS in 2014 doorbrak in Irak, profiteerde het van de armoede en verbittering op het platteland. De Iraakse regering moet uitkijken dat zoiets niet opnieuw gebeurt”, zegt Richard Pearshouse.

Heropbouw op platteland moet dringend prioriteit worden

In 2018 nam Irak een officieel herstelplan aan. Het stelt de schade vast die de landbouwsector heeft geleden en raamt de kosten van het herstel in de komende vijf jaar.



“De Iraakse regering moet dringend haar herstelplan van de nodige fondsen voorzien en beginnen met de uitvoering ervan. De reparatie van cruciale irrigatiesystemen en andere infrastructuur op het platteland is van vitaal belang om ontheemden in staat te stellen naar hun huis en boerderij terug te keren”, zegt Richard Pearshouse.



“Zij die ontheemd zijn als gevolg van oorlogsmisdaden van IS hebben recht op volledig herstel en gerechtigheid. De regering moet de schade herstellen of compenseren.”



Amnesty International vraagt aan het VN-team dat onderzoek verricht naar IS-misdaden in Irak om ook inbreuken op de leefomgeving te onderzoeken.

ACHTERGROND

Vanaf augustus 2014 hebben jezidi’s en hun overwegend agrarische gemeenschappen zwaar geleden door de misdaden die IS pleegde in het noorden van Irak.



IS-strijders pakten eerst alle mannen en jongens op die niet hadden kunnen vluchten naar het Sinjar-gebergte en doodden hen. Kort daarna ontvoerden ze ongeveer 6.000 jonge vrouwen en kinderen en verkochten hen als slaven en slavinnen in Irak en Syrië. Jezidi’s zochten hun toevlucht in Europa en andere delen van het Midden-Oosten.



Toen de noordelijke kant van het Sinjar-gebergte in december 2014 werd heroverd op IS en de zuidelijke kant in november 2015, bleken duizenden jaren jezidi-bestaan te zijn weggevaagd. De regionale Koerdische regering nam de controle over het gebied in handen en droeg die daarna, in oktober 2017, over aan de centrale Iraakse regering.

Lees ook

Meer nieuws