‘Het is beter door een kogel te sterven, dan elke dag een beetje gedood te worden’

‘Het is beter door een kogel te sterven, dan elke dag een beetje gedood te worden’

Blog
Auteur: 
Anna Neistat, Senior Director Research bij Amnesty International

Vijftien jaar werken in conflictgebieden, waar ook ter wereld, hebben me genoeg geleerd over lijden, onrecht en wanhoop, dacht ik. Maar wat ik zag en hoorde op Nauru zal me altijd achtervolgen. 

Drie jaar geleden besloot Australië vluchtelingen die de kust probeerden te bereiken, te verbannen naar Nauru. Sindsdien zijn honderden mannen, vrouwen en kinderen onder erbarmelijke omstandigheden blijven steken op dit afgelegen eiland. Velen, misschien wel allemaal, lijden aan ernstige fysieke en geestelijke aandoeningen. Hun toekomst is volkomen onzeker.

De regeringen van Australië en Nauru weten heel goed hoe afgrijselijk en onwettig het er aan toe gaat en gaan heel ver om dat te verdoezelen. Nagenoeg geen journalist of onafhankelijke waarnemer heeft de kans gehad om naar Nauru te gaan sinds er vluchtelingen aankwamen, nu vier jaar geleden.

Wat nog onheilspellender is, is dat iedereen die voor de Australische regering werkt, geheimhouding heeft moeten beloven – het is wettelijk vastgelegd dat dienstverleners twee jaar gevangenisstraf kunnen krijgen als ze ook maar iets onthullen over de situatie op Nauru. Mijn mensenrechtenwerk heeft me naar veel ‘gesloten’ landen en regio’s gebracht, waaronder China, Oezbekistan, Tsjetsjenië, Noord-Sri Lanka en Bahrein, maar ik heb nog nooit zulke volhardende – en succesvolle – inspanningen gezien om de waarheid onder de pet te houden.

Op dit eiland zijn zo’n 1.200 mensen die ontberingen en onderdrukking hebben moeten doorstaan in Afghanistan, Myanmar, Irak, Somalië, Iran en veel andere plekken. Zij zijn burgeroorlogen en onderdrukkende regeringen ontvlucht, hebben verschrikkelijke reizen over de hele wereld moeten doorstaan en trotseerden de zeeën in overvolle boten om uiteindelijk een land te bereiken waarvan ze hoorden dat ze daar vrijheid, vrede en respect voor mensenrechten konden verwachten.

Maar Australië liet hun dromen uiteenspatten. In plaats van hen bescherming en onderdak te geven, zoals internationale wetgeving en de basisprincipes voor menselijkheid vereisen, besloot de regering deze mensen te gebruiken om anderen die overzee zouden willen komen, af te schrikken door hen op de slechtst mogelijke manier te behandelen.

De wanhoop op Nauru is voelbaar. Hoewel rond de 70 procent van de mensen die erheen zijn gestuurd als vluchteling zijn erkend, kunnen ze geen kant op. Australië heeft gezegd dat ze hen nooit zal accepteren, maar heeft ze ook geen reëel alternatief geboden. Zelfs de mensen die reisdocumenten van Nauru hebben gekregen, kunnen niet weg: op de documenten staat ‘vluchteling’ als nationaliteit ingevuld. Zij die probeerden een visum te krijgen, ontdekten al snel dat de documenten waardeloos waren.

Aanvankelijk werd de mensen verteld dat ze voor een procedure ‘van zes maanden’ naar Nauru werden gestuurd. Drie jaar later voelen ze zich bedrogen en vergeten. Zoals een man me vertelde: ‘In veel opzichten is dit erger dan de gevangenis: in de gevangenis weet je ten minste waarom je vastzit, en voor hoe lang. En je hebt een kans om er uit te komen.’

Na aankomst werden mensen maandenlang opgesloten in een detentiecentrum. Ze leefden in beschimmelde tenten onder afschuwelijke, gevangenisachtige omstandigheden, in lange rijen wachtend op eten of voor het toilet, terwijl het verboden was eten voor hun kinderen mee te nemen naar de tent. Bewakers doorzochten geregeld de tenten, en namen naalden om mee te naaien, wegwerpscheermesjes en pincetten in beslag. Douchen mocht maar voor twee minuten, daarna draaiden de bewakers simpelweg de kraan dicht, ook al zat er nog shampoo in het haar of zat het lichaam onder de zeep.

Bijna vierhonderd mensen hebben sindsdien onderdak gekregen op Nauru. Hun levensomstandigheden zijn enigszins verbeterd. Maar er zijn nieuwe, ernstiger problemen. Veel mensen, en met name vrouwen, vertelden me dat ze dagelijks worden vernederd, aangerand en op andere manieren worden lastgevallen en aangevallen door de lokale bevolking.

Dalileh*, die met haar man uit Iran vluchtte en in de zomer van 2013 op Nauru terechtkwam, vertelde me hoe ze vorig jaar midden in de nacht wakker werd omdat ze buiten stemmen hoorden. Ze ging naar buiten omdat ze bang was dat er weer dieven waren die kleren en schoenen wilden stelen. ‘Het volgende dat ik me herinner was een harde klap op mijn hoofd, en twee mannen die wegrennen. Bloed stroomde over mijn gezicht.’ Een ambulance bracht Dalileh naar het ziekenhuis waar ze acht hechtingen kreeg. Later vond de politie de metalen staaf waarmee ze was geslagen. Maar toen Dalileh en haar man aangifte wilden doen, weigerde de politie een zaak te openen, suggererend dat ‘Dalileh misschien wel zichzelf had geslagen’.

Bijna iedereen die ik ontmoette, onder wie jonge kinderen, kampten met gezondheidsproblemen. Er waren veel ernstige kwalen, zoals hartaanvallen, snel verslechterende diabetes, knobbeltjes in borsten, diverse infecties en gebroken benen. Vluchtelingen vertelde dat ze zowel door een lokale arts als een die in dienst was van de Australische regering waren onderzocht, maar geen toereikende behandeling kregen. Het is verontrustend dat de mensen hun medische dossier niet kregen, ook al vroegen ze daar meerdere keren om. In plaats daarvan kregen ze stapels pillen, waar ze vaak alleen maar beroerder van werden.

‘Om voor behandeling naar Australië overgebracht te worden, moet je eerst bijna doodgaan,’ zei een man. ‘Is dat niet het geval, dan zeggen ze dat het niet erg genoeg is voor de overtocht.’

Een andere man, die verschillende aandoeningen had, zei: ‘Ik dacht dat ik de dood ontsnapt was, maar nu begin ik te denken dat het beter is om te sterven door een kogel dan elke dag een beetje dood te gaan, drie jaar lang.’

Een van de meest schokkende aspecten van de situatie op Nauru is het wijdverbreide geestelijke trauma, de zelfbeschadiging en de pogingen tot zelfmoord. Elke getuige die ik sprak had of een zelfmoordpoging ondernomen, of dacht erover dit te doen.

Zelfs kinderen proberen zelfmoord te plegen. Ali* vertelde me dat hij uit Afghanistan was gevlucht met zijn twee tienerzonen nadat zijn familie werd bedreigd en aangevallen door de Taliban. Zijn zwager werd daarbij gedood, zijn vrouw stierf korte tijd later. Maar nu, op Nauru, maakt hij zich veel meer zorgen om zijn zonen. De jongste heeft al een paar keer geprobeerd zichzelf te doden. ‘Ik probeer alles in deze kleine kamer te verstoppen – pillen, messen. En ik laat hem niet naar buiten gaan, want ik ben bang dat hij zichzelf iets aandoet,’ vertelde Ali.

Marteling is misschien wel het ergste, meest traumatische dat ik in mijn mensenrechtenwerk heb vastgelegd: het is erg moeilijk om ooit helemaal te genezen van het fysieke lijden gecombineerd met het absolute gebrek aan controle. Maar op Nauru realiseerde ik me dat er iets nog veel ergers bestaat. Mensen die opzettelijk tot de diepste wanhoop worden gedreven, ze kwellen zich zo dat het gelijk staat aan marteling omdat ze het gevoel hebben dat dat de enige manier is om gehoord te worden.

Er is geen enkele rechtvaardiging of vergiffenis voor een systeem dat dit met mensen doet – het is tijd dat Australië en Nauru een einde maken aan deze verschrikking.

*Alle namen zijn veranderd om de vluchtelingen te beschermen.

hier niet op duwen