DRC: Om veiligheid te herstellen, moet de straffeloosheid voor mensenrechtenschendingen in het Oosten aangepakt worden

DRC: Om veiligheid te herstellen, moet de straffeloosheid voor mensenrechtenschendingen in het Oosten aangepakt worden

Blog

The Mail en The Guardian publiceerden een opiniestuk van Jean-Mobert Senga, onderzoeker voor Amnesty International in de DR Congo, over de recente veiligheidsproblemen in het oosten van de DRC. Hij stelt dat "geen enkele politieke maatregel de situatie van de bevolking in het oosten van de DRC effectief kan verbeteren zonder de mensenrechtenschendingen uit het verleden aan te pakken, met inbegrip van de schendingen die zijn gedocumenteerd in het rapport van de VN over het in kaart brengen van Congo in 2010, en ervoor te zorgen dat slachtoffers toegang krijgen tot de waarheid en tot gerechtigheid.”

De heropleving van de 23 maartbeweging (M23) – een gewapende groep die beweert op te komen voor de rechten van de Congolese Tutsi's in het oosten van de Democratische Republiek Congo (DRC) – zorgt voor hernieuwde diplomatieke inspanningen van de regionale hoofdrolspelers.

Rwanda wordt ervan beschuldigd de M23-rebellen te steunen. Via de Oost-Afrikaanse Gemeenschap (EAC), die uit zeven staten bestaat en waartoe Congo onlangs is toegetreden, zijn diplomatieke gesprekken opgestart. De door de EAC voorgestelde politieke en militaire antwoorden gaan echter voorbij aan de diepere oorzaken van het gewapende conflict in het oosten van de DRC, met name de wijdverspreide straffeloosheid van de plegers van mensenrechtenschendingen.

De huidige inspanningen onder leiding van Kenia binnen de EAC en van Angola in het kader van de Internationale Conferentie over het gebied van de Grote Meren, omvatten initiatieven om de dialoog tussen de autoriteiten van de DRC, de gewapende groeperingen die binnen haar grenzen opereren en Rwanda te bevorderen. Deze diplomatieke inspanningen gaan gepaard met een militair spoor: de EAC is van plan een regionale troepenmacht in te zetten tegen gewapende groepen die niet bereid zijn vrijwillig de wapens neer te leggen.

Deze twee benaderingen zijn niet nieuw. In de afgelopen decennia heeft de DRC talrijke politieke processen op gang gebracht of eraan deelgenomen die hebben geleid tot vredesakkoorden, amnestie voor leden van opstandelingengroepen of de integratie van gewapende strijders in staatsveiligheidstroepen.

De M23 ontleent zijn naam zelfs aan een van deze akkoorden - die van 23 maart 2009. De groep voerde als rechtvaardiging voor haar hernieuwde gewapende operaties in Noord-Kivu tussen mei 2012 en december 2013 de frustratie aan over het feit dat de regering van de DRC deze overeenkomst – onder meer over de integratie van strijders in het reguliere leger - niet naleefde.

Nadat de M23 was verslagen door het Congolese leger - gesteund door de interventiebrigade van de Verenigde Naties - leidden besprekingen onder regionale bemiddeling en internationale steun tot de ondertekening van een hernieuwde verbintenis: de Verklaringen van Nairobi, in december 2013.


Bijna 10 jaar later beweert de M23 dat zij opnieuw haar toevlucht heeft genomen tot geweld omdat de regering haar verbintenissen van 2013 niet is nagekomen, naast andere problemen. Het is een eindeloos kat-en-muisspel.


In de Verklaring van Nairobi werden bestuurlijke en veiligheidsvraagstukken behandeld, waaronder het omgaan met de Democratische Strijdkrachten voor de Bevrijding van Rwanda (FDLR). De FDLR, die in het oosten van de DRC opereert, is een gewapende groepering die bestaat uit restanten van de Interahamwe en voormalige Rwandese soldaten die mogelijk betrokken waren bij de genocide van 1994 in Rwanda, en ook uit strijders die daar niet bij betrokken waren, waaronder velen die te jong zijn om eraan te hebben deelgenomen.

Er is op grote schaal gebruik gemaakt van militaire middelen om het gewapende conflict in het oosten van de DRC aan te pakken. Sinds president Félix Tshisekedi in januari 2019 aan de macht kwam, hebben er zes militaire operaties plaatsgevonden in het oosten van de DRC. Er is ook een aanhoudende staat van beleg (gelijkaardig aan een noodtoestand), in de provincies Noord-Kivu en Ituri sinds mei 2021, en een gezamenlijke operatie met het Oegandese leger sinds november 2021.

Naast het Congolese en het Oegandese leger – die openlijk in de regio opereren – hebben troepen uit Burundi, Rwanda en Zuid-Soedan regelmatig invallen gedaan, soms met de goedkeuring van de DRC, volgens rapporten van VN-expertengroep inzake de DRC. Een VN-vredesmacht, Monusco, van ten minste 17.000 man, is ook al meer dan 20 jaar voornamelijk in het oosten van de DRC gestationeerd.


De situatie op het terrein voor de burgers is echter alleen maar verslechterd.


Schenders van de mensenrechten gaan vrijuit

Het ter verantwoording roepen van daders van ernstige misdrijven in het Oosten van de DRC maakt zelden of nooit deel uit van de systematische aanpak om het geweld een halt toe te roepen. Dat is al bijna drie decennia zo. Het protocol van de Internationale Conferentie over het Gebied van de Grote Meren over de strijd tegen straffeloosheid voor genocide en andere ernstige misdaden is een dode letter gebleven. Sommige leiders in de DRC en daarbuiten geloven dat het vervolgen van de daders van ernstige misdaden de inspanningen voor vrede en stabiliteit zou ondermijnen, maar de ervaring leert dat niets minder waar is.


Als daders van moorden, verkrachtingen, vernielingen en plunderingen er ongestraft mee wegkomen, wat houdt hen tegen om zo’n misdaden opnieuw te begaan?


De ongebreidelde straffeloosheid heeft geleid tot een toename van het aantal misdaden van gewapende groepen. Volgens de VN hebben M23-strijders sinds maart ten minste 25 burgers gedood in Noord-Kivu, terwijl meer dan 170.000 mensen, waaronder tienduizenden kinderen, gedwongen werden hun huizen te ontvluchten als gevolg van de gevechten tussen de M23 en het Congolese leger.

Geen enkele politieke maatregel kan de situatie van de bevolking in het oosten van de DRC daadwerkelijk verbeteren zonder de mensenrechtenschendingen uit het verleden aan te pakken en ervoor te zorgen dat slachtoffers toegang krijgen tot waarheid en gerechtigheid. Het gaat onder meer over de schendingen welke zijn gedocumenteerd in het VN-Mapping rapport (rapport uit 2010 waarin ernstige schendingen van mensenrechten en van het oorlogsrecht in de DRC tussen 1993 en 2003 in kaart worden gebracht).

Het oosten van de DRC herbergt honderdduizenden Rwandese, Burundese en Zuid-Soedanese vluchtelingen die voor oorlog en vervolging in hun land zijn gevlucht. Gewapende groepen uit diezelfde landen maken ook gebruik van de totale afwezigheid van staatscontrole in de regio en vestigen zich er.


Om duurzame veiligheid in de regio op te bouwen, moet rekenschap worden afgelegd voor de oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en andere ernstige schendingen van de mensenrechten die sinds de jaren negentig op grote schaal in de DRC zijn begaan.


De betrokken leiders moeten dit werk als topprioriteit uitvoeren, met een grotere inzet dan nu het geval is.

De internationale en regionale gemeenschap moeten ook druk uitoefenen op Rwanda, Oeganda en Burundi om de mensenrechtensituatie in hun eigen landen te verbeteren en ruimte te scheppen voor iedereen om zijn burgerrechten en politieke rechten volledig en vreedzaam uit te oefenen. Politieke retoriek en militaire interventies alleen zullen niet volstaan om het geweld tegen de burgerbevolking in het oosten van de DRC op te lossen.

Auteur: 
Jean-Mobert Senga (vertaald door Gorik Zelderloo voor het vrijwilligersteam Grote Meren)