De dag dat de tijd stopte

De dag dat de tijd stopte

Blog
Auteur: 
Kriticos Pandelis Mwansa

Het verhaal van Kriticos is er een van een zwarte jongen in een witte, voorstedelijke buurt in Brussel. De politie verdacht hem ervan in te breken, terwijl hij zijn eigen huis binnenstapte. Een traumatische ervaring, die Kriticos neerschreef in een blogbericht. 

Mijn naam is Kriticos Pandelis Mwansa. Ik ben een 22-jarige student en artiest. Ik ben geboren in Zambia en woon nu in België. Ik verhuisde met mijn familie toen mijn vader in 2004 een diplomatieke functie kreeg in Brussel. We gingen wonen in een witte, voorstedelijke buurt. We waren er de enige zwarte familie. Ik heb altijd de wet gerespecteerd en heb nooit contact gehad met de politie. Tot die ene dag in 2013. Ik was toen 16 en de tijd stopte die dag drie keer. 

“Je hebt ingebroken in dit huis” 

22 maart 2013. Ik wandel met mijn broer William (15) van school terug naar huis. We zien dat een politiecombi ons voorbijrijdt en vertraagt. Ik merk dat de agenten naar ons staren en we kijken heel kort naar hen terug. Dan vertrekken ze opnieuw. Mijn broer en ik voelen ons even op ons ongemak, maar we besluiten er geen aandacht aan te schenken en stappen verder naar huis. 

Onze kleine zus Rose (11) is thuis wanneer we aankomen. William gaat naar de keuken om iets te eten en ik ga naar boven. Ik zie door het raam hoe een politievrouw naar onze voordeur stapt. 

Ik ga naar de voordeur toe, maar voor ik de kans krijg om ze te openen, hoor ik luid geklop op de deur. Het doet me trillen op mijn benen. Ik wacht even en herinner me dat mijn ouders niet thuis zijn, ze zijn gaan werken. Ik ben dus de verantwoordelijke in huis. Ik open de deur en zie de blonde politievrouw staan.

Ik krijg geen kans om haar te begroeten. Ze begint onmiddellijk tegen me te roepen. Ik ben verrast en ik begrijp niet alles in het Nederlands. Ik vraag haar om het te herhalen, wat ze doet op een meer begrijpelijke toon: “Je hebt ingebroken in dit huis en ik vraag je om naar buiten te komen.” 

Ik kan mijn oren niet geloven. Deze politieambtenaar beschuldigt mij van inbraak in mijn eigen huis. 

Terwijl het besef langzaam binnendringt, gebeurt het voor de eerste keer: de tijd stopt. Het is alsof alles bevriest voor een kort moment. Het enige wat blijft bewegen is mijn hart, dat raast door mijn borstkas, mijn ademhaling, diep en traag, en mijn ledematen. Ik kan bewegen, maar praten voelt als een aartsmoeilijke taak. De klank is bevroren met al de rest. Ik hoor alleen maar gesuis. 

Zie ik eruit als een inbreker? 

Terwijl de tijd nog steeds stilstaat, bedenk ik dat mijn kleine broer en zus in het huis zijn. Dat zij, in al hun onschuld, misschien getuigen zijn van dit onrecht. Ik hoop dat ze het geklop op de deur niet hoorden, of het razende geroep van de politieambtenaar aan onze deur, zodat dit niet hun eerste contact is met de politie. Maar helaas, ik draai me om en zie mijn 15-jarige broer en 11-jarige zus staren naar mij en de politievrouw. Ik ontwaar een mengeling van angst en ongeloof op hun gezicht. 

Langzaam komt de tijd terug naar zijn gewone ritme. Ik draai me opnieuw naar de politievrouw. 

“We zijn niet aan het inbreken, wij wonen hier”, zeg ik. Ik wijs naar de familiefoto’s in de hal.

Ze kijkt naar de foto’s, maar ziet er geen bewijs in dat wij hier wonen. Ze vraagt me wat het adres is van het huis waar ik de voorbije vijf jaar woonde. Ik zeg haar het adres. Ze kijkt naar haar mannelijke collega naast haar, op zoek naar bevestiging over mijn verhaal. 

Pas nu registreer ik dat ze met twéé politieambtenaren voor de deur staan en ons beschuldigen van inbraak in ons eigen huis. De tijd stopt opnieuw. Ik denk: “Gelooft ook hij dat we hier aan het inbreken zijn? Of heeft hij het gezond verstand dat zijn collega niet heeft?”

“Heeft geen van beiden opgemerkt dat we met de sleutel langs de voordeur binnengingen, op klaarlichte dag? Gebeurt het vaak dat twee jongens met hun schooltas door woonwijken lopen om in te breken? Maken de tassen ons verdacht? Wandelden we te snel? Lijk ik ouder dan 16? Is het omdat ik ouder lijk, dat het reëler is dat ik het misdrijf pleeg waarvan ze me beschuldigen?”  

Ik zoek naar elke mogelijke reden om te begrijpen waarom dit me overkomt. Ik wil het niet direct wijten aan mijn huidskleur, dat zou te makkelijk zijn. 

Haar collega knikt intussen dat het adres dat ik opgaf, correct is. Ik denk dat dat wel zal volstaan. Als de familiefoto’s in de hal niet genoeg zijn, dan dit toch wel, niet? Niet dus. De politievrouw  vraagt haar partner om de buren om bevestiging te vragen. 

Word ik de eerste Belgische Trayvon Martin? 

Mijn buren zijn een witte familie. We praten niet zo veel, maar we zwaaien af en toe eens, als we de post uithalen of ons huis uitgaan. Ik weet dat hun antwoord aan de politie bepaalt of we gearresteerd worden om ons eigen huis binnen te wandelen, of niet. Ik hoop dat we vaak genoeg hebben gezwaaid.

Terwijl de partner van de vrouw onze buren gaat bevragen, houdt zij bij ons de wacht. Ze houdt ons in het oog, voor het geval dat we zouden weglopen. Ze kijkt naar ons met een afgrijzen dat ik enkel zag bij mensen die keken naar ongedierte. 

Ons huis heeft een achterdeur die uitgeeft op de tuin. Het is een krakende houten deur die zelden op slot is. Soms, als de wind te hard waait, gaat ze open en slaat ze toe. Van alle momenten dat dit kan gebeuren, blaast de wind net nu, waardoor de achterdeur, die op een kier staat, dichtslaat.

De dichtslaande deur is iets waar we normaal niet op letten. Maar nu zorgt het ervoor dat de tijd opnieuw vertraagt en voor een derde en laatste keer stilstaat. Volledig. Want zo onopgemerkt als de deur dichtsloeg voor mijn broer en zus, zo alarmerend was dit voor de politievrouw. Ze draait haar hoofd richting de deur en grijpt haar wapen.

Duizenden gedachten gaan door mijn hoofd. Ik denk aan Trayvon Martin. “Ik ben even oud als Trayvon toen hij werd gedood, ben ik de volgende? Nee, dit gebeurt alleen in de VS. Nooit in België. Wat als ik de eerste ben?”  

Mijn gedachten flitsen naar mijn kleine broer en zus. “Ze staan net achter mij. Als ze me neerschiet, bid ik dat mijn zusje er zonder kleerscheuren vanaf komt. Als ze me neerschiet, hoop ik dat mijn zusje het niet ziet.” 

En dan denk ik aan mijn ouders. “Wat zal mama zeggen als ze weet dat de politie naar ons huis kwam? Wat gaat papa doen als hij te weten komt dat zijn zoon werd neergeschoten? Zal ik hen zeggen dat ik wel geprobeerd heb om uit te leggen dat dit ons huis is, maar dat ik er niet in slaagde?” 

De tijd komt langzaam weer terug. Ik kom weer tot mezelf. De politievrouw merkt intussen dat het de wind was, maar ze heeft nog steeds het geweer in haar hand. 

“Wanneer komt haar partner terug? Hebben de buren hem overtuigd dat wij effectief hun buren zijn?” Terwijl ik dit denk, komt hij terug. Hij bevestigt aan zijn collega dat we hier inderdaad wonen.  

Geen goeiedag, geen sorry 

De politievrouw, verslagen en eindelijk overtuigd, stopt het geweer terug in de holster en draait zich naar mij toe. Haar uitdrukking is nog steeds vol walging. Zonder ons te groeten of zich te excuseren, stapt ze terug naar de combi. Ze rijden weg alsof er niets gebeurd is.  

Ik, mijn broer en mijn zus blijven onbewogen staan. Het lijkt alsof er uren voorbijgaan voor ik de deur sluit. Dit traumatiserende moment heeft me volledig uit mijn lood geslagen. 

Ik kan maar aan één ding denken: “De politieman kende mijn naam niet, of had geen andere identificatie. Dus wat vroeg hij dan aan de buren om te weten of wij hier al dan niet woonden?” 

De politiemensen gaan gewoon door met hun leven. Ze herinneren zich waarschijnlijk niet eens dat dit gebeurd is. Maar ik zal deze dag nooit vergeten. De dag dat de tijd driemaal stilstond.  

Zwijgen is toestemmen 

Dit was mijn eerste ervaring met de politie. De politie van mijn buurt heeft mij, mijn broer en zus geviseerd omwille van onze huidskleur. Ze hebben ons etnisch geprofileerd.

We waren toen allemaal minderjarig. Naarmate ik ouder werd, hoorde ik steeds meer verhalen van mensen van kleur in mijn omgeving. Verhalen van hoe de tijd voor hen stopte. Het werd mij heel duidelijk dat etnisch profileren wel degelijk een probleem is, hier in België. Het moet aangepakt worden, niet enkel via de slachtoffers door hun ervaringen te delen, maar vooral door de collega’s bij de politie en hun oversten, die elkaar kritisch moeten evalueren. 

Wat als de partner van de politievrouw wist dat ze iets fout aan het doen was? Als hij zich had uitgesproken tegen zijn partner en een einde had gemaakt aan dit onrecht, zou hij ons dit traumatisch moment hebben bespaard. Plato zei ooit: “Zwijgen is toestemmen.” 

Ik vraag me af hoeveel andere mensen van kleur de tijd al hebben voelen stilstaan, wanneer de politie etnisch profileert. Hoeveel mensen kregen nooit de kans om hun verhaal te vertellen? 

hier niet op duwen