België: laakbare spoedbehandeling van terreurmaatregelen door Parlement

België: laakbare spoedbehandeling van terreurmaatregelen door Parlement

Persbericht

Amnesty International en de Ligue des Droits de l’Homme keuren de spoedbehandeling af van drie wetsontwerpen in het kader van de strijd tegen terreur. 

De wetsontwerpen die bij urgentie worden behandeld kaderen in een reeks maatregelen in de strijd tegen terrorisme. De mensenrechtenorganisaties roepen op om ze grondig te bestuderen. 

“Door de spoedbehandeling worden de ontwerpen aan ijltempo door het Parlement gejaagd en wordt het debat tot een minimum herleid,” aldus de organisaties. “Het gaat nochtans over erg complexe en technische dossiers die fundamentele keuzes inhouden over het Belgische straf- en strafprocesrecht.”

In een eerste ontwerp wordt voorgesteld om het toepassingsveld van het bestaande terroristische misdrijf ‘openbare aanzetting tot het plegen van terroristische misdrijven’ uit te breiden. Het ontwerp perkt de vrijheid van meningsuiting in en schakelt het strafrecht in als preventief instrument. Bovendien staat de wijziging op gespannen voet met de Europese rechtspraak. 

“Reden genoeg om het ontwerp met de nodige omzichtigheid te behandelen,” aldus de mensenrechtenorganisaties. 

Hetzelfde ontwerp versoepelt bovendien de voorwaarden om verdachten van terroristische misdrijven in voorlopige hechtenis te houden en verruimt de territoriale rechtsmacht over terroristische misdrijven.

Een ander ontwerp hervormt en moderniseert de wetgeving over de bijzondere opsporingsmethoden. Die wetgeving is sinds lang voorwerp van kritiek en moet volgens Amnesty International en de Ligue des Droits de l’Homme worden geëvalueerd. De wijzigingen van de regering gaan voorbij aan die oproep. 

“Het is een uiterst complex en technisch dossier van bijna 300 pagina’s. Het is onrealistisch te verwachten dat het Parlement dit op minder dan twee weken tijd grondig zou kunnen bespreken,” aldus Amnesty International en de Ligue des droits de l’homme.

“De regering heeft maanden gewerkt aan de ontwerpen en zet nu het Parlement buitenspel door te vragen dat ze in amper twee weken besproken en gestemd worden. De spoedbehandeling is totaal ongepast en het is erg jammer en gevaarlijk dat het Parlement zich daartoe leent.” De organisaties besluiten: “Het Parlement moet zijn rol opnemen en de ontwerpen grondig bestuderen.” 

Achtergrond

Hieronder een aantal elementen uit de verschillende ontwerpen die diepgaand moeten worden geanalyseerd door het Parlement:

  • Uitbreiding van openbare aanzetting tot het plegen van terroristische misdrijven

Het bestaande misdrijf van het verspreiden van een boodschap met het oogmerk rechtstreeks of onrechtstreeks aan te zetten tot het plegen van een terroristisch misdrijf wordt in het ontwerp aangepast. Het zal niet meer nodig zijn om te bewijzen dat het aanzetten tot terrorisme een effectief risico op het plegen van een terroristisch misdrijf met zich meebrengt. Hierdoor, aldus de regering, wordt de bewijsvoering gemakkelijker. Het Europees Kaderbesluit voorziet echter wel dat er een risico op het plegen van een terroristisch misdrijf wordt bewezen. Ook de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende de vrijheid van meningsuiting vereist dat de aanzetting een risico met zich meebrengt. In de praktijk zou de rechter dus nog steeds rekening moeten houden met dit criterium. Het lijkt de bedoeling van de regering om dit criterium volledig te schrappen wat in zou gaan tegen de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. 

Bovendien heeft de Raad van State – gezien de aangepaste definitie van het misdrijf – vragen bij de proportionaliteit van de strafmaat. Ook dit moet het voorwerp kunnen uitmaken van een parlementair debat.

  •  Versoepeling voorlopige hechtenis

Personen verdacht van terroristische misdrijven waarvoor de maximale mogelijke gevangenisstraf meer dan vijf jaar bedraagt, zullen gemakkelijker in voorlopige hechtenis gehouden kunnen worden. Zij zullen onder het regime vallen dat nu geldt voor ‘gewone’ misdrijven waarvoor de maximumstraf meer dan vijftien jaar bedraagt. Dit houdt in dat er ernstige aanwijzingen van schuld zijn, en dat er een gevaar is voor de openbare veiligheid. 

Het zal niet langer noodzakelijk zijn om aan te tonen dat er een gevaar is voor recidive, onttrekking of collusie. Dit creëert een verschil in behandeling, dat door de regering wordt verantwoord door te verwijzen naar het ernstige gevaar gecreëerd door terroristische aanslagen. De regering wenst de voorlopige hechtenis dus preventief te gebruiken, om te vermijden dat verdachten zouden overgaan tot het plegen van een terroristische aanslag. 

De regering biedt echter onvoldoende elementen om aan te tonen dat deze maatregel noodzakelijk is. Het Parlement moet onderzoeken of de huidige wetgeving betreffende de voorlopige hechtenis al dan niet volstaat om te verzekeren dat terreurverdachten die een gevaar vormen voor de openbare veiligheid in voorlopige hechtenis gehouden worden. Die analyse van de toepassing en de toepassingsmoeilijkheden van de huidige regelgeving ontbreekt. 

  • Voorbereidende handelingen

Oorspronkelijk wilde de regering een nieuw artikel invoeren in het Strafwetboek, dat handelingen strafbaar stelt die gesteld worden ter voorbereiding van een terroristisch misdrijf. Het gaat hier bijvoorbeeld om het huren van een appartement dat dienst doet als schuilplaats, of om het verkennen van een locatie met de bedoeling er een aanslag te plegen. Gezien de uiterst kritische bemerkingen van de Raad van State heeft de regering beslist deze aanpassing in te trekken, onder verwijzing naar twee gelijkaardige wetsvoorstellen met hetzelfde voorwerp. Bij de verdere behandeling van deze wetsvoorstellen, dient het Parlement te verzekeren dat ze in lijn worden gebracht met de opmerkingen van de Raad van State.

  • Preventief gebruik van het strafrecht

De voorgaande maatregelen passen in een tendens van preventief gebruik van het strafrecht. Dit houdt in dat strafrecht aangewend wordt om te voorkomen dat een misdrijf gepleegd zou worden, eerder dan het misdrijf te bestraffen. Dit heeft als gevolg dat handelingen strafbaar worden gesteld die steeds verder verwijderd zijn van het hoofdmisdrijf, met name het plegen van een terroristische aanslag. 
Dit is een fundamentele paradigmawijziging voor het strafrecht die het voorwerp moet uitmaken van een grondig parlementair debat. Preventief gebruik van het strafrecht kan misschien gerechtvaardigd zijn, maar de effectiviteit ervan staat nog steeds ter discussie. Bovendien brengt dit ook het risico met zich mee dat meer onschuldige personen onderworpen worden aan onderzoeksmaatregelen en voorlopige hechtenis.

  • Modernisering van de BOM-wet

Het wetsontwerp tot modernisering van de Wet betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden (BOM-wet) breidt onder meer de mogelijkheden uit om heimelijke en niet-heimelijke zoekingen te verrichten in informaticaomgevingen. De Privacycommissie heeft in haar advies opgemerkt dat  het wetsontwerp “de waaier aan domeinen aanzienlijk uitbreidt die van nature het voorwerp uitmaken van een heimelijke zoeking en wenst de aandacht van de wetgever te vestigen op het feit dat deze uitbreiding het voorwerp moet uitmaken van een grondig parlementair debat”. 

De Raad van State merkt op: “Een zoeking in een informaticasysteem kan een belangrijke inmenging vormen in het onder meer bij artikel 8 van het Europees Verdrag over de Rechten van de Mens en artikel 22 van de Grondwet gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven. In het ontwerp worden ter zake belangrijke bevoegdheden overgeheveld van de onderzoeksrechter naar het openbaar ministerie. Al lijkt niet te worden vereist dat zulk een inmenging in het raam van het vooronderzoek steeds door een rechter wordt bevolen, neemt dit element toch een belangrijke plaats in bij de proportionaliteitstoets die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Grondwettelijk Hof ter zake verrichten. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat de onderzoeksrechter een onafhankelijk magistraat is die een objectief onderzoek voert, zowel a charge als a décharge, terwijl het openbaar ministerie partij in het strafproces is. Het staat aan de wetgever, evenwel onder controle van de bevoegde rechtscolleges, met afweging van alle in het geding zijnde belangen en rekening houdend met eerdere uitbreidingen van de bevoegdheden van het openbaar ministerie in het voorafgaande onderzoek, om te oordelen of aan deze vereisten is voldaan.”

De BOM-wet is reeds meermaals onderwerp geweest van felle kritiek en is sinds lang aan grondige evaluatie toe. De zeer ingrijpende wijzigingen die de regering voorstelt, negeren oproepen tot evaluatie en bijsturing.